Een gezin met twintig kinderen

Frans en Santje Hesselink uit Tilligte hadden liefst twintig kinderen. In de vorige eeuw waren grote gezinnen normaal, zeker in katholieke families. Maar twintig? Dat was zeer uitzonderlijk, zoals bij postkantoorhouder Frans en zijn vrouw Santje. Misschien is het een record, twintig kinderen en ook nog eens allemaal eenlingen. Moeder Santje is dus vijftien jaar van haar leven zwanger geweest. Het grote gezin groeide op in de periode tussen beide wereldoorlogen. Zes kinderen zijn thans nog in leven. Drie van hen poseerden voor de fotograaf van Zilver en vertelden over het grote gezin.

Tekst Gijs Eijsink
Fotografie Riet Vos

Jan (82) is de vijftiende in de rij, gastvrouw Fien (79) de zeventiende en Lida (74), de twintigste en jongste. Ze kijken met veel plezier terug op hun jeugd in het kerkdorp Tilligte waar hun vader het postkantoor runde. Ze vertellen mooie verhalen over hun jonge jaren en over hoe het leven geleefd werd in een gezin met twintig kinderen.
Hun huis telde vier slaapkamers en één opkamer, waar de meiden sliepen. Ze sliepen op stro. Als ongeveer één keer per maand het stro ververst werd, waren de kinderen niet blij. ‘Dat lag niet lekker. Meestal had je net een lekker holletje’, zegt Fien.

Machtig mooi  en heel gezellig. Zo typeren de drie hun jeugd. ‘Als er één jarig was, liepen we met deksels rond het huis of door de grote boomgaard. We deden veel spelletjes, hebben heel veel gekaart. Amerikaans jokeren speelden we het liefst. Onze ouders waren niet heel streng, maar je moest wel luisteren. Vader stond om zes uur op en daarna kwam iedereen voor de dag. Dan kregen we een boterham en een glas melk. In de kast lag altijd een roggebrood van een halve meter klaar. Moeder zette hem voor de buik en sneed er voor ieder van ons een plak af. We zaten nooit met alle 22 tegelijk aan tafel. Toen wij als jongsten nog klein waren, waren de oudsten alweer in betrekking. Als een van hen verkering had, was dat goed, maar ze mochten niet mee-eten.  We aten veel vis, vooral op vrijdag.  Vader was een specialist in snoeken. Hij viste altijd in De Dinkel. Op zaterdagmiddag waren we allemaal thuis. Dan stond vader op de hoek van het huis en klapte hij in zijn handen. Van alle kanten kwamen we dan aangerend.’

Jan en zijn broers visten ook vaak. Of ze zwommen in ‘Antoon zien gat’, zoals een dieper deel van een bocht in de Dinkel genoemd werd. Lida verloor er tijdens het zwemmen haar trouwring. Allemaal flarden van hun kindertijd, die hen te binnen schieten.

Jan, met bijna constant een royale glimlach op de mond, zegt: ‘Elke avond lagen we op de knieën voor de stoel om de rozenkrans te bidden. Vader bad voor. Op een keer zei hij: “Jan, ga jij eens verder”. Ik wist niet waar hij gebleven was.’
Lida: ‘Soms moesten we meehelpen. Klompen schuren, de tuin doen, de straat schrobben, dat soort werk.’
Jan: ‘Als je ondeugend was, moest je naar bed. Ik heb eens een hele dag voor straf in bed gelegen. Als je je eten niet lustte, kreeg je ’s avonds dat bord opnieuw voor je neus en als je het dan nog niet opgegeten had, kon je de andere morgen doorgaan. Ik lustte geen snijbonen. Dan had ik altijd een probleem.’
Fien: ‘Als ik een sinaasappel kreeg, bewaarde ik hem tot zondag.’
Jan: ‘Toen ik 7 jaar was ben ik een keer zo trots als een pauw met mijn nieuwe overall aan naar school gegaan. Maar ik moest van meester Voorpostel terug naar huis. “Je gaat niet in een overall naar school”, zei hij. Huilend kwam ik thuis om andere kleren aan te trekken.’
Suze: ‘Ik mocht naar de ULO. Dat was een uitzondering, want onze ouders hadden het liefste dat zo snel mogelijk geld ging verdienen.’
Fien: ‘In de oorlog was ik bang. Als er een bombardement was, gingen we in de kelder zitten. We hadden gelukkig een grote kelder.’
Jan: ‘Soms gingen we om 8 uur naar bed en stonden we om 12 uur weer op om ’s nachts te gaan jagen op fazanten en hazen.’
Fien: ‘Als je werk had, moest je kostgeld betalen. Vijftien gulden per week. Jan en André hebben achttien jaar lang kranten rond gebracht. Dan kregen ze aan het eind van de week elk een half pakje shag. Zilver. De jongens rookten allemaal. De meisjes ook. Ikzelf rook nog steeds.’

Waren jullie streng katholiek?
Jan: ‘Op zondag moesten we twee keer naar de kerk. Naar de Mis en het Lof. Dagelijks gingen we voordat de school begon, naar de Mis. André en ik waren misdienaar.’
Lida: ‘We moesten één keer in de twee weken biechten.’
Jan: ‘Ik zei altijd dat ik stiekem snoepjes had gegeten.’
Fien: ‘Ik had in de suikerpot gezeten.’
Lida: ‘Ik sloot mijn rijtje met zonden altijd af met “Ik heb gelogen”.
Jan: ‘Er was een vrouw die altijd een half uur in de biechtstoel zat. Als we haar in de rij zagen zitten, gingen we meteen de kerk weer uit.’

‘Waar blijft de volgende?’, vroeg de pastoor

Twintig kinderen, dat is een heel groot aantal.
Fien: ‘Toch was het altijd gezellig. We hebben een mooie jeugd gehad. Ik herinner me wel dat pastoor Maathuis langs kwam als het hem iets te lang duurde. “Waar blijft de volgende?” vroeg hij dan.’
Jan: ‘Ze hadden overal veel kinderen. Aantallen van tien of twaalf kwamen heel vaak voor. Dat moest van de Kerk. Ach, ze gingen in die tijd altijd vroeg naar bed. Verder werd er nooit over gesproken. Ze was weer zwanger, klaar.’
Lida: ‘Er zijn ook verdrietige dingen gebeurd. Onze zus Annie is op 24-jarige leeftijd verdronken. Dat was in 1946. Ze was toen 24 jaar. Ze was met een vriendin en met broer Karel aan het schaatsen. Ze zijn in een wak gereden. Alleen Karel kon zich eruit redden.’
Fien: ‘In hetzelfde jaar zijn Nico en Theo gestorven. Nico was zes jaar, hij had nekkramp. Theo was vijf. Hij overleed aan een buikvliesontsteking. Het was een rampjaar. Ik vraag me nu nog soms af hoe moeder dat allemaal heeft kunnen verwerken.’

Lida die al overgrootmoeder is, zegt dat ze het zo weer over zou doen. ‘Van al mijn broers en zussen is er geen een gescheiden. Dat vind ik knap. Vandaag de dag hebben ze een paar woorden met elkaar en meteen gaan ze uit elkaar. Wat hadden wij een hechte familie.’ Lida woont in Denekamp waar ze jarenlang in betrekking was bij een huisarts.
Fien is blij dat de grote familie altijd goed met elkaar heeft gekund. ‘Gelukkig zijn ze allemaal in de buurt gebleven. Als we wel eens een reünie hebben, komt er wel zeventig man. En het is altijd gezellig.’ Fien was in haar werkzame leven verpleegster.
‘De Hesselinks vormden ook een sportieve familie’, zegt  Jan. Net als zijn broer André kon hij goed voetballen. Jarenlang speelden ze in het eerste van KOSC. ‘We hebben Reutum voor een tientje een keer laten winnen. Toen had je al matchfixing’, lacht Jan en vertelt erbij dat hij zijn hele leven aan klootschieten heeft gedaan. ‘Ik doe het nog steeds’, zegt hij fier.

Jans ook aanwezige neef Herman Snoeijink knikt bevestigend. Zijn ooms waren zeer sportief. De wielerkampioen van weleer is de zoon van Marie, de oudste zus van Jan, Lida en Fien. Hij was zo aardig om Lida en Jan voor het gesprek van huis op te halen en bij Fien te brengen.
‘Jouw moeder’, zeggen Fien en Jan, ‘noemden we Ietje. Ze was de baas van het gezin. Ze voedde de jongsten op, deed verstelwerk en regelde veel. Ze was streng, maar dat moest ook wel. Je moest luisteren naar haar. Ze was de oudste en dan is dat zo.’

Hoe herinneren jullie je vader?
Lida: ‘Hij was overal in geïnteresseerd.’
Jan: ‘Hij wist van alle dorpsgenoten precies van wie welke fiets was. Vaak stopte hij tijdens de heilige Mis de post in de verschillende fietstassen. Maar als een boer een varken of koe geslacht had, kwam hij daar die dag toevallig zelf de post brengen. Meestal kwam hij dan wel met een stukje spek of vlees in huis, aldus de 82-jarige Jan. Hij is in zijn geboortedorp Tilligte blijven wonen. Hij was timmerman van beroep.

En moeder?
Fien: ‘Als op zaterdag de oudsten van het gezin uit Almelo kwamen, wachtte moeder hen op. Dan kreeg ze geld van hen om bij de slager vlees te kopen.’
Lida besluit: ‘Moeder was een knappe vrouw en een heel goed mens. Jammer dat ze maar 54 jaar is geworden.’

 

Moeder Santje is overleden op 13-04-1954, vader Frans op 29-05-1973.
Van hun twintig kinderen zijn naast Lida, Fien en Jan ook Bennie, Suze en André nog onder ons.